OVERSTEEK NAAR IERLAND
25-7-2005
8 - 20 juli 2005
Vanuit Sao Miguel maken we de oversteek naar
Ierland, een tocht van ca. 1100 mijl richting het
noordoosten. Via internet volgen we voor vertrek
de meerdaagse weersvoorspellingen voor onze
route maar de wind blijft maar uit de noord hoek
komen. We hebben het vertrek al een week
uitgesteld maar er verandert niets. Uiteindelijk
hebben we het eiland wel gezien en willen we echt
weg. We nemen de windrichting voor lief en
vertrekken op vrijdag 8 juli met een rustige NNO
wind kracht 3.
Voor deze oversteek willen we ons wel
aanmelden bij Herb, de weerman die boten op de
Atlantische oceaan begeleidt m.b.v. de SSB
radio. Op eerdere oversteken was het weer beter
te voorspellen dan op deze tocht. Nu komen we
onder de invloed van de lage drukgebieden die
veel wind kunnen brengen en lijkt het ons een
extra zekerheid te geven.
Iedere dag meld Mich ons tussen 19:30 en 20:00
uur en vervolgens roept hij de boten op,
beginnend met de boten die het dichtst bij hem in
de buurt zitten, n.l. Canada. Degene die het
verste weg zijn zijn als laatste aan de beurt en
dat kan rustig een 1,5 a 2 uur later zijn.
Gedurende die tijd moet je wel blijven luisteren
want de ene dag gaat het sneller dan de andere.
Ik had mijn bedenkingen tegen het dwingende
karakter hiervan maar achteraf gezien hebben we
zeer zeker profijt van zijn adviezen gehad.
De eerstkomende 5 dagen hebben we te maken
met tegenwinden. Daarna zijn de voorspellingen
te onbetrouwbaar dus blijft het gissen. We
bereiden ons voor op een lange, langzame tocht.
Helaas blijven de tegenwinden wel 10 dagen
staan.
Ondertussen hebben we 1100 mijl afgelegd in de
richting van Groenland. Niet echt lekker in de
richting die we op willen.
De winden blijven vanuit het noordoosten komen
met een hogedruk kern aan de linkerzijde van ons
en een krachtig laag met echt harde wind aan de
rechterzijde van ons. We kunnen niet veel doen
dan doorvaren richting het noordwesten want als
we richting het laag varen krijgen we te veel wind
op de kop. Eindelijk na 10 dagen draait de wind
eerst naar het noorden en dan naar het
noordwesten en zijn we boven het lagedruk
gebied gekomen en kunnen we mijlen maken
richting Ierland. We komen een Italiaanse tanker
tegen die ons oproept op de marifoon. De kapitein
zelf krijgen we te spreken en die vraagt of alles
goed is want hij had op deze positie nog nooit een
zeilboot gezien, we zaten naar zijns inziens wel
erg uit de route...
De drie volgende dagen worden we getrakteerd op
goeie wind en maken achter elkaar dagen van 150
mijl en meer.
Dat aan de wind zeilen zwaar is voor alles merken
we aan onszelf, het feit dat je niet naar je doel toe
zeilt, maar zeker ook aan de boot. Eigenlijk voor
het eerst sinds vertrek krijgen we te maken met
dingen die kapot gaan tijdens het zeilen. Het
begint op de derde dag met het toplicht. Gelukkig
is de zee dan nog redelijk vlak en klim ik meteen
de mast in, vervang het lampje en kom behoorlijk
zeeziek weer benenden. Zo’n mast zwiept toch
behoorlijk...
Dan lijkt de oven niet goed te werken; i.p.v.
blauwe vlammen krijgen we een oranje roetende
steekvlam. Hier kunnen we geen brood mee
bakken. We kunnen niets vinden wat niet goed is
en we denken dat het komt doordat we
overgeschakeld zijn van propaangas naar
butaangas.
Het log werkt vanaf het begin al niet, maar we
willen de gever niet uit de romp trekken ivm de
wateroverlast die dat geeft.
Dan blijkt dat de motor niet meer wil starten.
Gelukkig hebben we die niet nodig om stroom te
draaien maar die windstilte die moeten we toch
maar uitzitten. Al snel blijkt dat er een
voorgloeibougie kapot is. In m’n poging de motor
op een andere manier voor te gloeien, sloop ik er
nog 2 maar dat brengt ons nog steeds geen
draaiende motor.
Het meest vervelende is dat de windvaan 2 dagen
voor aankomst niet meer werkt. De peddel blijkt
er niet goed onder te staan en dat kunnen we
alleen vanuit de bijboot fixen. De zee is hiervoor
veel te hoog dus er zit niets anders op dan het
laatste stuk met de hand sturen. We passen het
wachtschema aan maar die verandering kost ons
wel veel slaap.
Vlak voor aankomst krijg ik gelukkig door een
truuk met WD40 (wat beter brandt dan diesel) de
motor toch aan de praat om veilig de baai in te
kunnen varen. Buiten is het warm maar van het
land is niets te zien, de kustlijn zit in dikke mist.
Even slaat de twijfel toe als de viskotter die we
passeren onder Franse vlag vaart.
Onderweg zien we wel veel zeeleven, zelfs meer
dan we tot nu toe gezien hebben. Een vinvis duikt
15 meter naast de boot op om vervolgens onder
de boot door te zwemmen en nog 2 keer aan de
andere kant op te komen. Zo’n beest is echt
groot!!
Een stuurman van een vrachtschip vindt ’s
nachts ons toplichtje interessant en komt even bij
ons kijken. Hij komt echter zo dichtbij dat we
behoorlijk in de stress schieten. Omdat hij
behoorlijk slingert weten we niet of hij voor of
achter ons langs wil dus we durven niet uit te
wijken. Op verschillende marifoonoproepen
reageert hij niet en veel en veel te dichtbij schuift
hij achter ons langs. Als hij na passeren toch
reageert op de marifoon en onze scheld-
cannonade aan moet horen wenst hij ons
een goed nacht toe...
Verder komen we nog een school pilotwhales
tegen en veel verschillende soorten dolfijnen.
Zelfs vlak voordat we Dingleharbour binnenvaren
zien we in de baai nog een walvis voorbij komen.
Na 13 dagen varen we de marina van Dingle
binnen. We hebben zo’n 1560 mijl gevaren, 24 uur
de motor gedraaid en 460 mijl omgevaren t.o.v.
de rumbline. En dan heb je het lange
afstandzeilen wel weer voor een tijdje gezien. Alle
boeken zijn gelezen, genoeg naar de horizon en
sterren zitten staren. We willen nu alleen nog
maar dagtochtjes!
Maar we liggen nog niet vast of de havenmeester
heeft al wat geregeld en voor we het weten staan
er 2 Ierse automonteurs in de motorruimte te
turen.
Bougietjes gaan mee en no problem, ze regelen
wel wat voor ons via de voorraad van de boeren
trekkers hier uit de omgeving. Dit en onze vers
getapte Guiness pintjes in de pub voor de haven
doen “het leed” snel vergeten.